Een deugniet

 

De deugden van vroeger zijn niet meer de deugden van nu.

In onze jeugd kenden we het mooie woord deugniet, iemand die kattenkwaad uithaalde. Was de deugniet bij het kattenkwaad smerig geworden dan werd die bij ons thuis doerak genoemd.

“Een deugniet” verder lezen

Het prentje van dokter Buijs

 

Mijn moeder droeg in haar zondagse tas naast de rozenkrans altijd een gedachtenisprentje met zich mee. Het was het prentje van Jules Buijs. Hij was jarenlang onze huisarts en heeft ons zessen ook ‘gezond en wel gehaald’.

Over mijn moeder Joke en huisarts Buijs schreef ik in mijn boek ‘Een te grote jas’ het volgende:

“Joke keek vaak in het achterhuis mee bij de geboorte van een kalfje. Maar zelf een kindje ter wereld brengen, dat is echt andere koek. Gelukkig is er de hulp van dokter Buijs. Joke en Harrie zijn blij met hem. De dokter is in het buurtdorp Maasbommel als tijdelijk huisarts gestart. Samen met zijn vrouw heeft hij de oorlog en diverse kampen overleefd. Van hogerhand vraagt men zich na de oorlog af of de Joodse dokter wel zal passen binnen de gemeenschap. Maar de bewoners lopen weg met hem. Hij voegt goed in, ook in het dorpse leven. Tegen kersttijd laat de dokter in de gemeente tal van enveloppen met een briefje van vijfentwintig gulden bezorgen bij de allerarmsten. Zij weten wie er aan hen heeft gedacht.”

“Het prentje van dokter Buijs” verder lezen

Een op afstand bestuurbare man

 

Een vroege zaterdagochtend op de markt. De kramen vol met frisse voorjaarsblommen. Ik kocht voor mezelf een boeketje tulpen met ranonkeltjes. Een jaartje erbij, ik had het verdiend, vond ik.

Bij de kraam scharrelde een vijftiger rond, met een reeds gevulde rugzak.  Hij hield zijn mobiel in de aanslag.
Als een volleerde filmer liep hij langs de bloemen. Af en toe zoemde hij in en overlegde hij met iemand aan andere kant van de lijn. ‘Deze tulpen misschien?’
‘Oké, daar houd jij niet van.’ Hij keek verder en ging door naar de rozen. ‘Deze dan maar?’
‘Ook niet goed?’ Wanhopig keek hij in de rondte en haalde tegenover de verkoopster zijn schouders op.  De man speurde naarstig verder tussen de zuiderwindlelies en gerbera’s.
‘Mag ik even die daar filmen. Hij wees naar de duurdere plukboeketten aan de achterkant van de kraam. Dat was binnen haar territorium; ze knikte ongemakkelijk.

De oudere verkoopster boog zich naar mij over. ‘Daar heb je er weer zo een, zo een met een lui wijf op de bank.  Ze boog zich nog meer naar me toe en fluisterde: “Je moet tegenwoordig zo opletten. Je hebt van die types die filmen je reet als je even je kont hebt gekeerd. Ik houd niet van die mensen die de hele dag met dat apparaat in de weer zijn!

De man had er genoeg van en sprak ferm in de mobiel. ‘Ja, dan weet ik het ook niet meer. Dan moet je zelf maar komen kijken.’  Stuurs liep hij weg.

‘Zie je,’ zei ze, ‘dat bedoel ik nou. Een lui wijf. Op haar luie reet.’
Ze pakte mijn tulpen en ranonkels in en keek me zuchtend aan.

Ik had met haar te doen, de marktdag moest nog beginnen.

 

 

Risk

 

Ik stof de grote doos met het spel af. Het plakband wat de deksel bij elkaar moet houden, is uitgedroogd. Zo’n veertig jaar geleden was dit spel ons strijdtoneel in het weekend. Nieuwsgierig open ik de doos. De handleiding is meer dan vettig, zo ook de opdrachtkaartjes. De plastic legers zijn nog intact. Het weekend begon in de jaren tachtig voor ons nogal eens op vrijdagavond. Na een voedzame maaltijd werd het bord uitgelegd. Samen met mijn huisgenoten Gertie en Jan en de vrienden Pieter-Jan en Antoine maakte ik me op voor de strijd. “Risk” verder lezen