Siri

Siri is de spraakassistent van Apple die je op de iPhone kunt gebruiken om iets op te zoeken.  Mijn kleinkind Rowan heeft sinds kort de functie ontdekt en heeft een gesprek met deze vrouwelijke spraakassistent, gemakshalve noem ik haar Siri.

‘Oma als ik praat dan heb ik het tegen deze mevrouw,’ zegt hij tegen mij. Hij wijst naar de IPhone als teken dat ik vooral geen storende opmerkingen mag maken.

‘Ik zoek een filmpje,’ spreekt hij in.

‘Dit heb ik voor je gevonden!’ meldt Siri met een opgewekte stem.

Rowan scrolt door het ruime aanbod met filmpjes .

‘Super Mario die is heel leuk,’ roept hij tevreden.

Siri blijkt van het behulpzame soort; ‘Ik vind het heel leuk om jou te helpen,’ zegt ze vlotjes. “Siri” verder lezen

De toestand in de wereld

In deze afgelopen weken dacht ik aan de zondagen van de jaren vijftig en zestig.
De zondag begon eigenlijk al op zaterdag, dan was er de voorbereiding van het zondagse eten. Moeder trok bouillon van schenkel en rundvlees en voegde er verse groenten uit de tuin aan toe. Daarna kraakte ze een handje vermicelli door de soep. Mijn broers noemden de vermicelli ook wel eens pieren. Ook de runderlappen stonden eindeloos in de oranje braadpan met dikke bodem op een klein pitje te pruttelen. “De toestand in de wereld” verder lezen

Een bol buikje

Enthousiast kwam hij de school uitgerend. ‘Ik heb de dubbele o geleerd, riep hij van verre. En die spreek je uit als óó, oma!’ Hij hield zijn handen als een verrekijker turend voor zijn ogen.
‘En wat kun je daar van maken dan Rowan,’ vroeg ik nieuwsgierig.

‘Koos,’ riep hij met de nadruk op de dubbele óó.

‘Mijn naam, wat een mooi woord,’ riep ik uit.

Een eerste maand lezen op school wat levert dat veel op. Er gaat een grote wereld open voor een klein kind! Het is voor mij alweer lang geleden en wij dreunden in de klas de klanken samen op. Maar op deze school maken ze er ook gebaren bij. Nou dat hadden wij niet, een gebaar maken -los van handen over elkaar- betekende per definitie een laagvliegende bordborstel of andere correctieve actie.

Maar goed, even terug naar Rowan en zijn gebaren. Hij legde me al snel uit dat de b een stokje was met een bol buikje en wel naar rechts.

‘En de d is dat een bol buikje naar links dan Rowan,’ vroeg ik hem.

Nee dat klopte van geen kanten. Met een bol buikje alleen ging ik de mist in. Er moest wel een stokje bij.

Eenmaal thuis dook hij in een door mij meegenomen Donald Duck. Hij vroeg niet om de tablet dat was op zich uitzonderlijk. Hij wees verschillende korte woordjes aan: dat is de en dat is een. En hij ontwaarde uit het woord bestraffen het woord bes. Dat was knap, ook met puzzelen zou hij er wel komen, schatte ik in.

‘Ik kan op school ook al goed rekenen’ zei hij. Maar dat wist ik al van de spelletjes. In een mooie cadans somde hij voor de zomervakantie al tot ver boven de honderd.

 

Met het klasje was hij die ochtend naar de bibliotheek geweest.

‘Oma, ik heb twee wetenschapsboeken geleend,’ zei hij bijdehand.

Nu is mijn kennis van wetenschap niet bijster.

Ik ga binnenkort dan ook maar wat bijspijkeren bij de bieb …

 

 

Foto: Hans Haans