Een op afstand bestuurbare man

 

Een vroege zaterdagochtend op de markt. De kramen vol met frisse voorjaarsblommen. Ik kocht voor mezelf een boeketje tulpen met ranonkeltjes. Een jaartje erbij, ik had het verdiend, vond ik.

Bij de kraam scharrelde een vijftiger rond, met een reeds gevulde rugzak.  Hij hield zijn mobiel in de aanslag.
Als een volleerde filmer liep hij langs de bloemen. Af en toe zoemde hij in en overlegde hij met iemand aan andere kant van de lijn. ‘Deze tulpen misschien?’
‘Oké, daar houd jij niet van.’ Hij keek verder en ging door naar de rozen. ‘Deze dan maar?’
‘Ook niet goed?’ Wanhopig keek hij in de rondte en haalde tegenover de verkoopster zijn schouders op.  De man speurde naarstig verder tussen de zuiderwindlelies en gerbera’s.
‘Mag ik even die daar filmen. Hij wees naar de duurdere plukboeketten aan de achterkant van de kraam. Dat was binnen haar territorium; ze knikte ongemakkelijk.

De oudere verkoopster boog zich naar mij over. ‘Daar heb je er weer zo een, zo een met een lui wijf op de bank.  Ze boog zich nog meer naar me toe en fluisterde: “Je moet tegenwoordig zo opletten. Je hebt van die types die filmen je reet als je even je kont hebt gekeerd. Ik houd niet van die mensen die de hele dag met dat apparaat in de weer zijn!

De man had er genoeg van en sprak ferm in de mobiel. ‘Ja, dan weet ik het ook niet meer. Dan moet je zelf maar komen kijken.’  Stuurs liep hij weg.

‘Zie je,’ zei ze, ‘dat bedoel ik nou. Een lui wijf. Op haar luie reet.’
Ze pakte mijn tulpen en ranonkels in en keek me zuchtend aan.

Ik had met haar te doen, de marktdag moest nog beginnen.

 

 

Risk

 

Ik stof de grote doos met het spel af. Het plakband wat de deksel bij elkaar moet houden, is uitgedroogd. Zo’n veertig jaar geleden was dit spel ons strijdtoneel in het weekend. Nieuwsgierig open ik de doos. De handleiding is meer dan vettig, zo ook de opdrachtkaartjes. De plastic legers zijn nog intact. Het weekend begon in de jaren tachtig voor ons nogal eens op vrijdagavond. Na een voedzame maaltijd werd het bord uitgelegd. Samen met mijn huisgenoten Gertie en Jan en de vrienden Pieter-Jan en Antoine maakte ik me op voor de strijd. “Risk” verder lezen

Een schoothondje

 

 

Coronaproef winkel ik bij de Coöp. Plots sta ik stokstijf stil. Ik loop bijna tegen een mevrouw op. Ze draagt een mondkapje met daarop slagtanden. Geschrokken deins ik terug, meer dan anderhalve meter. Thuis gaan de slagtanden nog door mijn hoofd. Als een grommende boze hond die zijn tanden laat zien.

Hoe ouder ik word hoe meer mijn angst voor honden toeneemt. Kijk, een kleintje, een schoothondje dat in de binnenzak van de jas past, oké. Maar het is me al snel te groot.

Het lijkt alsof tijdens de verschillende coronagolven meer honden en hun baasjes op straat zijn.  Ook zie ik meer en meer ouderen, van wie de kinderen het huis uit zijn, beginnen aan een opvoedtraject met de hond.

De winkels zijn er handig op in gesprongen en verkopen een arsenaal aan hulpstukken. Zo zag ik bij de Lidl warmte-en verkoelkussens. Met kerst was er de rode kerststrik. En als kerstspeeltje was er de sushi in taartvorm. “Een schoothondje” verder lezen

Kerstreisje naar het land van de baksheesh

 

Na een roerig jaar waarin Hans een zware rugoperatie goed had doorstaan, vlogen we met Ger en Jan op 23 december 2001 naar Egypte. Met als bestemming Hurghada, een toeristenplaats ingeklemd tussen de Rode Zee en de woestijn. Direct bij aankomst was het duidelijk, we hadden hier te maken met ‘galante’ mannen. Onze koffers, met in elke koffer een pak rode wijn van de Hema, verschenen al snel op de transportband. Net toen ik de mijne van de band wilde halen, tilde als uit het niets een bruingebrande hand ongevraagd mijn koffer van de band. Zijn vrije hand hield hij op. Voor de baksheesh.  “Kerstreisje naar het land van de baksheesh” verder lezen